Nicole Krauss

De joods amerikaanse schrijfster Nicole Krauss heeft met Donker woud (Forest dark) een roman geschreven waarin de joodse, Israëlische en Amerikaanse identiteit worden blootgelegd en  waarin ze het mystieke, raadselachtige, dat wat onzegbaar is toch ter sprake probeert te brengen. Niet voor niets speelt de Israëlische plaats Zefat een rol,  het is al eeuwenlang het centrum van de Kabbala, de joodse mystiek.
Kafka zou nog jaren, na een in scène gezette dood, in Palestina hebben geleefd. Professor in de literatuur Friedman weet waar de plek is in Tel Aviv waar zich een schat aan onafgeschreven geschriften van Kafka bevinden.
Naast dit verhaal speelt dat van Jules Epstein, over wie een maffe rabbijn zegt dat hij een nazaat is van koning David. De twee verhalen lijken vaak gespiegeld en het hele boek door heb ik gedacht dat Epstein en de schrijfster elkaar nog zouden tegenkomen, tegelijkertijd leken ze zich beide in een ander universum te bevinden.

Fragment:
Ze komen naar Tel Aviv en vinden het er heel sexy, de zee en de kracht, de nabijheid van geweld en levensdrang, het idee dat de Israëliërs, ook al leven ze voortdurend in een existentiële crisis en voorvoelen ze dat hun land verloren is, in elk geval leven in een wereld waar alles er nog toe doet en de moeite waard is om voor te vechten. Waar die Amerikanen vooral verliefd op worden is hoe ze zich hier voelen. Hier komen we vandaan, denken ze, terwijl ze gebukt door de tunnels onder de Westmuur lopen, door de tunnels schuifelen die Bar Kochba heeft gegraven, de Masada beklimmen, in het Levantijnse zonlicht staan, in de Negev kamperen, naar kibboets Kinneret komen, waar kinderen die van hen hadden kunnen zijn in alle vrijheid opgroeien, blootsvoets, en hoofdzakelijk verbonden met het verleden door daden van discontinuïteit: dit is wat we gemist hebben, zonder het zelf te beseffen.
Maar de makelaar wist heel goed dat ze er na een week of twee anders over denken, die Amerikanen. De kracht krijgt iets van agressie en de directheid wordt opdringerig, het begint te irriteren dat Israëliërs er geen manieren op nahouden, dat ze geen respect voor persoonlijke ruimte hebben, dat ze nergens respect voor hebben, en heeft niemand in Tel Aviv iets anders te doen dan voortdurend te zitten kletsen of naar het strand te gaan? De stad is echt een gribus, of niet soms, alles wat niet nieuw is valt uit elkaar, overal stinkt het naar katten, er is iets mis met de riolering onder het raam en het kan een hele week duren voor er iemand komt, en eigenlijk zijn Israëliërs onmogelijk in de omgang, zo koppig en eigenzinnig, zo frustrerend ongevoelig voor logica, zo verdomd onbeschoft, en de meesten blijken maar weinig op te hebben met alles wat Joods is, hun grootouders en ouders zijn ervoor weggevlucht, zo ver als ze maar konden, en degenen die zich er wel druk om maken slaan naar het andere uiterste door, de kolonisten, totaal van de pot gerukt, en eerlijk gezegd is het hele land één zooitje van Arabieren hatende racisten. En vandaar dat ze op het laatste nippertje, voordat ze een aanbetaling doen op een driekamerflat in de nieuwe torenflat die in Neve Tzedek verrijst, gauw in een taxi stappen en terugrijden naar het vliegveld, met naar za’atar geurende koffers die volgepakt zitten met zilveren judaïca van Hazorfim en met de sleuteltjes van hun Lexus vers aan een hamsa gehangen.

Advertenties
Geplaatst in Citaten, literatuur, Religie, Roman | Een reactie plaatsen

Robinson Jeffers

Als inleiding van zijn boek
“De goden gaan naar huis”
neemt A. Den Doolaard het
volgende fragment /
gedicht van Robinson Jeffers.

 

De mens, de wroeter in geheimen, die in de laatste eeuw
Vluchtig langs het wezen van ’t geschapene is geschampt
Heeft giganten voortgebracht; maar door zijn maniakale zelfzucht
En verscheurdheid kan hij zijn monsters niet breidelen.
Gewend aan gladde overwinningsdromen
Vergeet hij de dorstige snede van het dubbele zwaard:
De natuur aantastend verwondt hij zichzelf.
In de geest voorziet hij de zelfvernietiging:
Actaeon die door het lover een glimp zag
Van de naakte godin, en zijn honden verscheurden hem.
Een weinig wetenschap, een grintje uit de rotsbank,
Een druppel uit de oceanen: Wie had kunnen dromen
Dat zelfs dit oneindig weinige te veel zou zijn?

Robinson Jeffers (1948)

Geplaatst in Citaten | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Bruce Chatwin

Uit: Bruce Chatwin
Anatomie van de rusteloosheid

Een keuze uit de geschriften 1969-1989
vertaald door Aad van der Mijn
oorspr. titel Anatomy of restlessness
1995 Uitg. Bert Bakker Amsterdam

Bruce Chatwin
Verzamelbundels van Bruce Chatwin in het Nederlands vertaald:
Anatomie van de rusteloosheid (Anatomy of restlessness)
– Wat doe ik hier (What am I doing here)

 

 

De ethiek der dingen

Wij zijn vanochtend bijeengekomen om te knielen voor het gesneden beeld. Maar als een oudtestamentische profeet hierbij aanwezig was geweest, zou hij vertoornd hebben uitgeroepen: ‘Handen af! Gij zult geen voorwerpen begeren.’ De aartsvaders van het oude Israël woonden in zwarte tenten. Hun kudden waren hun grootste bezit; naar gelang van de seizoenen trokken zij heen en weer door hun stamgebieden; en zij stonden bekend om hun afkeer van kunstvoorwerpen. Kunstgaleries zouden zij zijn binnengevallen zoals zij de heiligdommen van Baäl bestormden en elke afbeeldingen waarop hun oog viel, aan stukken sloegen. En niet omdat die niet pasten in hun zadeltassen, maar op ethische gronden. Zij waren van mening dat de mens zich door afbeeldingen verwijderde van God. Het aanbidden van afbeeldingen was een zonde van het zich-vestigen; de verering van het gouden kalf had voorzien in de behoeften van de mentaal zwakkeren die verlangden naar de vleespotten van Egypte. En profeten als Jesaja en Jeremia riepen de tijd in herinnering dat hun volk nog bestond uit onversaagde individualisten die voor hun gemoedsrust geen beeltenissen nodig hadden. Om die reden wezen zij de tempel af die door de kinderen Gods in een beeldengalerij veranderd was en riepen zij op tot vandalisme en terugkeer tot het leven in tenten.

En verlangen wij er niet allemaal naar om onze altaren omver te werpen en onszelf van onze bezittingen te ontdoen? Kijken wij niet onverschillig naar al onze rommel om te zeggen: ‘Als deze dingen mijn persoonlijkheid weerspiegelen, dan haat ik mijn persoonlijkheid.’ Want is er, op het eerste gezicht, iets minder bevorderlijk voor het leven dan een kunstwerk? Je krijgt er genoeg van. Je kunt het niet opeten. Het is niet echt iets om mee naar bed te gaan. Je waakt erover en je voelt je verplicht om ervan te genieten terwijl het je allang verveelt. Wij offeren onze bewegingsvrijheid op om de bevoorrechte oppasser van het kunstvoorwerp te kunnen zijn en worden er ten slotte een geketende slaaf van. Alle civilisaties zijn per definitie ‘ding-gericht’ en het belangrijkste punt bij hun stabiliteit is de vraag hoe de behoefte om dingen te vergaren in evenwicht kan worden gehouden met de behoefte om er weer vanaf te komen.

Dingen weten heimelijk binnen te dringen in elk mensenleven. De een verzamelt meer dingen om zich heen dan de ander, maar geen mens is dinglóós, hoe mobiel hij ook mag zijn. Een chimpansee gebruikt stokken en stenen als werktuig, maar hij houdt er geen bezit op na. De mens wel. En juist de dingen waaraan hij het meest gehecht raakt, hebben geen enkel praktisch nut meer. Zij zijn in plaats daarvan symbolen geworden en een gevoelsmatig houvast. De vraag die ik zou willen stellen (zonder per se het antwoord te kunnen geven) is: waarom zijn onze ware schatten nutteloos? Want als wij dat wisten, zouden wij misschien ook de gecompliceerde rituelen van de kunst-markt kunnen begrijpen.

Mensen die verstand hebben van dingen en er echt van houden – mensen met smaak, zeggen we dan – gaan gewoonlijk tekeer tegen de barbaar die net zo onbewogen is bij de aankoop van een kunstwerk als bij het eten van een ei. Zij betichten hem ervan dat hij verzamelt om aanzien als intellectueel te verwerven zonder dat hij ervoor moet lijden, of dat hij zich door anderen laat bewonderen om de glans van zijn bezit. Maar Freud en de psychoanalytici na hem hebben onaangenamere dingen op te merken gehad over de dwangmatige collectioneur. De echte verzamelaar, menen zij, staat als een voyeur in het leven, door een laag van bezittingen afgeschermd van hen die hij zou willen beminnen, bezeten van de meest tedere gevoelens voor dingen en ijskoud tegenover mensen. Het is de typische kouwe kikker. Hij teert op levenskracht uit vroeger eeuwen ter compensatie van zijn eigen onvermogen nu. En verwoed verdedigt hij zijn dingen tegen de menselijke wolven die hen bedreigen. (Denken wij aan de opmerking van Karl Marx dat de verwoesting van bakstenen en cement de bourgeoisie meer verontrust dan de wijdverbreide verspilling van mensenbloed.) Met andere woorden, de verzamelaar ontwikkelt een ideologie op grond waarvan hij anderen leegzuigt. Wij kunnen dat de ethiek der dingen noemen.

De aanschaf van een voorwerp wordt tot een speurtocht naar de Graal – zoeken, het ontdekken van de prooi, het besluit om te kopen, het geldelijke offer en de angst voor een financiële ramp, de Duistere Wolk van Onzekerheid (‘Is het een vervalsing?’), het inpakken, de weg naar huis, de opwinding bij het openmaken van het pak, de onthulling van het gezochte ding, de nacht waarin je met niemand naar bed ging maar de wacht hield bij de nieuwe fetisj, ernaar staarde, hem streelde, aanbad – de metgezel, de geliefde, maar na korte tijd de zeur die eruit gezet moet worden of verkocht omdat een ander, begeerlijker ding zijn plaats in ons gemoed heeft ingenomen. Het is mij vaak opgevallen dat in de grote verzamelingen de beste voorwerpen als een groep beschermengelen om het bed geschaard staan en dat het bed zelf meelijwekkend smal is. De ware verzamelaar heeft een korps van onbezielde minnaars in huis gehaald om zijn ingezakt bestaan te schragen.

Geplaatst in Uncategorized | Een reactie plaatsen

Annie M.G. Schmidt en Jean Pierre rawie

Uit: Van de kansel
De mooiste domineesverhalen
van Maarten ’t Hart, Multatuli,
Freek de Jonge, e.a.
Samenstelling Rob Schouten

‘Komaan, zo sprak de dominee’
Annie M.G. Schmidt

Komaan, zo sprak de dominee, wat zal het nu eens wezen?
Hoe brengen wij de avond door, wie heeft er een idee?
He, zei het schaap Veronica, als u ons voor wilt lezen
dan zijn wij u zo innig dankbaar, lieve dominee…

He ja, zeiden de dames Groen, wij gaan intussen breien,
een mooi verhaal… en ’t liefst een beetje treurig als het kan…
wij vinden ’t na het eten altijd heerlijk om te schreien.
Nou goed dan, zei de dominee, daar gaat ie dan.

Toen las hij een vertelling over hele arme lieden
die zaten zonder kachel, zonder geld en zonder brood.
En van een rijke heer die daar een korfje aan kwam bieden
met soep en eierkolen, als een redder in de nood.

Ach, huilde ’t schaap Veronica, wat zielig en wat heerlijk…
O ja… snikten de dames Groen, het leven is zo wreed…
wij willen ook zo graag iets doen voor arme mensen.
Eerlijk, ach dominee, wanneer u soms eens arme mensen weet…

De dominee zei peinzend: Tja, ik ken wel veel gezinnen,
maar al die mensen eten tegenwoordig mokkataart.
Wat erg! riepen de dames Groen, dan blijven wij maar binnen,
dan brengen we ze ook geen soep! Dan zijn ze het niet waard!

Nou, zei het schaap Veronica, maar ’t was een mooi verhaal!
Heel mooi, zeiden de dames Groen. Nu koffie allemaal?

 
Zendeling
Jean Pierre Rawie

Ik heb hem niet gekend, maar zijn portret stond bij mijn
grootmoeder (een strenge dame waar wij ongaarne op visite
kwamen)
in zilver ingelijst op het buffet.

En zo, verstard tot een momentopname:
heilsofficier met snor, maar zonder pet,
is hij in mijn geheugen bijgezet.
Ik ben zijn kleinzoon en ik draag zijn namen.

Hij is voor mijn geboorte overleden;
dat ik op hem zou lijken werd beweerd door
tantes die aan zielsverhuizing deden.

Waarschijnlijk ging er ergens iets verkeerd. Wel
heb ik nog de wandelstok waarmede hij naar
verluidt half Java heeft bekeerd.

Willem Wilmink schrijft over Jean Pierre Rawie:
In het dichtwerk van Rawie vindt men vertalingen uit alle mogelijke talen, zelfs het russisch. De dichter, in zijn manier van zich kleden en zich geestelijk bewegen een soort Groningse Oscar Wilde, stond in het Noorden bekend om zijn onwaarschijnlijke eruditie en zijn al even onwaarschijnlijke behoefte aan sterke drank. Aan dat laatste werd een halt toegeroepen door een ziekte die hem tot over de rand van het graf bracht, maar waarvan hij genas:
Toen ik na de vertwijfeling en koorts
en lijfelijk onduldbare ellende,
geleidelijk weer aan de wereld wende,
kreeg elk geluid opnieuw iets ongehoords.
In woorden die ik al van kindsbeen kende
herkende ik de ware zin des woords.
Hierna ging Rawie weer nuchter door het leven.

Geplaatst in Citaten, poëzie | Tags: , | Een reactie plaatsen

Wim Meyles

Uit: Wim Meyles: Spelen met woorden

Zegge of schrijve?

Wie vist moet niet naar de ouverture.

Het ging met paasbest maar
het was met kerstmis.

De inbreker wilde geen overvalwagen.

Omdat de inhoud van het blik bedorven was
besefte ze dat ze niet conserveren.

Toen hij 40 jaar nietjes had gemaakt
vond hij het welletjes.

Omdat ik haar wel kon schieten
miste ik haar niet.

Een tip voor vakantiegangers:
Spanje niet in!

Dit pension is zo ongezellig
dat het nu helemaal gast-vrij is.

Veel bedrijven gaan maar door met
werk-lozen.

Verrijkt uranium ?
Vast wel iemand.

Zijn de teen-agers van vandaag
de man-agers van morgen ?

Omdat hij al jaren zeilt
mag hij ervaren,
maar ik kompas kijken.

Toen ze moe werd moesten weduwe.

Ik zie liever een goed schilderij dan
dat ik naar flauwe cultuur.

Ik lustrum en jij magazijn.

Mijn buurman wou laatst
naar het strand gaan.
Maar ik vroeg me af:
Wat heb je daar aan?

Geplaatst in Citaten, humor | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Tommy Wieringa

Uit: Tommy Wieringa: Joe Speedboot
Amsterdam, De Bezige Bij 2005
ISBN: 234-1433-0

Er was een begin van een peilloos besef. Ze wilden hun tijd zo comfortabel mogelijk volmaken en geen vragen stellen waarop met meer dan ja, nee of weet niet te antwoorden viel.
Iedereen die ik kende imiteerde alleen maar zo goed mogelijk wat hij bij zijn voorgangers zag. Ouders imiteerden hun ouders, kleuterjuffen kleuterjuffen, scholieren scholieren en pastoors en onderwijzers elkaar en hun boeken. De enige variatie bestond uit wat ze vergaten te imiteren.

[…..]

Het gaat om de geest van dingen, het woord is alleen maar een lastdier met steeds nieuwe betekenissen op zijn rug.

[….]

– Angst en overmoed, zei hij, dat is de motor van de geschiedenis. Eerst angst, dat zijn alle gedachten en gevoelens die je vertellen dat je iets niet kunt. Daar zijn er veel van. Het probleem is, ze zijn vaak waar. Maar je hoeft alleen maar te weten wat nodig is, meer niet.
Te veel weten leidt tot angst en angst tot stilstand. Het zijn de ploeteraars die je vertellen dat je iets niet kan als je er niet voor bent opgeleid, maar talent trekt zich daar niks van aan. Talent bouwt de motor, de ploeteraar vult olie bij, zo zit het. Wat denk je, dat Fokker wist wat hij deed? Die had niet eens een brevet, alleen talent en een hoop geluk. Overmoed is net zo belangrijk als talent: ik kan het niet maar ik doe het toch. Dan zie je vanzelf wel of het gaat.

Geplaatst in Citaten, Roman | Tags: , | Een reactie plaatsen

Leon de Winter

Uit: Leon de Winter:  Supertex
De Bezige Bij, 1995
ISBN: 90-234-3194-4

We stonden voor mijn verminkte Porsche, midden op de rijweg in de vroege ochtend.
Toen de ambulance uit het zicht was, vroeg het kind: ‘Hoe komt het dat een jood op zaterdagochtend zoiets veroorzaakt? U houdt zich niet aan de wetten.’
‘Nee,’ was alles wat ik kon zeggen.
‘Een jood hoort zich aan de wetten te houden,’ zei hij.
‘Ja,’ zei ik.
‘Aan Mozes werden zeshonderdendertien regels gegeven,’ leerde het kind, ‘driehonderdvijfenzestig verboden, tweehonderdachtenveertig geboden. Een goede jood leeft volgens die regels.’
‘Ja, het is me wat. Regels van duizenden jaren geleden. Van een woestijnvolk.’
Het kind hief een wijsvinger en zwaaide er dreigend mee in mijn richting.
‘De lucht die we inademen, is die nieuw? De zon boven ons hoofd, is die van vandaag?’
Wat kon ik zeggen?

Geplaatst in Citaten, Religie, Roman | Tags: , , , | Een reactie plaatsen